Nederlands - Nederland
inZaken  »  Archief
 

Avonturen met als achtergrond het wankelende communistische regime

 based on 2 votes. You need to be logged in to rate an article.

Gepubliceerd door: Maria Genova Gepubliceerd op: Monday 28 September 2009, 15:53

COMMUNISME SEX EN LEUGENS biedt een scherpe en humoristische observatie van het leven in een communistisch land. Het is het verhaal van een jonge vrouw, die het versieren van mannen tot in de puntjes perfectioneert. Haar soms absurde avonturen vinden in Bulgarije en Rusland plaats, met als achtergrond het wankelende communistische regime. Rebels schopt ze tegen de gevestigde orde, maar ze is ook verstandig genoeg om haar toekomst niet op het spel te zetten.

 

Hoofdstuk I

De onwerkelijke werkelijkheid

Ik keek enigszins ongelovig naar mijn trouwring. De drie diamanten glinsterden mooi in de felle zon. Getrouwd in Las Vegas, in het hol van het kapitalisme. Als iemand me dat enkele jaren geleden had voorspeld, zou ik hem voor gek hebben verklaard. Toen mochten we niet eens ons land verlaten en werd het Westen in alle Bulgaarse media beschreven als de hel op aarde. Wat leek dat allemaal lang geleden. Misschien omdat het communisme zo’n onwerkelijke ervaring was. We leerden pseudo-geschiedenis en werden van jongs af aan monddood gemaakt. Juist daarom geloofde mijn generatie niet dat de idealen waarmee we waren opgegroeid, zo snel op de stortplaats van de echte geschiedenis zouden belanden.

 

We voelden ons immers vrij en gelukkig in onze ruime kooi, in een land waar niets mocht en alles kon. We genoten van een onbezorgd leventje zonder eigen verantwoordelijkheid, want de communistische partij had alle touwtjes in handen. We hadden volop tijd om te feesten, te flirten of in de rij te staan om het zoveelste schaarse product te bemachtigen. Na de val van de Berlijnse Muur gingen mijn ogen open. Het communisme was opeens een onbegrijpelijke paradox geworden: ik had mijn steentje bijgedragen aan het opbouwen van een rechtvaardige maatschappij, die ik slechts enkele jaren later met net zo veel toewijding probeerde te ontmantelen. Hoewel iedereen wist dat er geen weg terug was, voelden veel mensen opeens nostalgie naar de goede oude tijd, waarin je je geen zorgen hoefde te maken of er genoeg brood op tafel kwam en of je niet werkloos zou worden. Ze wilden niet dat het communisme in de herinneringen van de generaties slechts als een kille dictatuur voortleefde, omdat er onder de kille oppervlakte veel optimisme, humor en goede ideeën schuilden.

 

Ik vond nostalgie naar het verleden volkomen nutteloos, want niemand kon het weer tot leven wekken. Mijn jeugd werd een onbereikbaar eiland in de tijd. Alleen in mijn gedachten kon ik nog het jonge onschuldige meisje zijn dat vol overgave communistische liederen zong. Alleen in mijn gedachten zag ik mezelf als de sexy rebellerende puber, die de harten van alle mogelijke mannen probeerde te veroveren. In werkelijkheid was het meisje een vrouw geworden, een vrouw met een verleden. Ze kon dat nooit vergeten, want de Bulgaarse communisten waren de meest bekwame ontwerpers van de ziel. Terwijl ik de dure diamanten ring bewonderde, vroeg ik me in een flits van een seconde af of de hele bruiloft in Las Vegas echt had plaatsgevonden. De communisten deden ons immers probleemloos geloven in dingen die niet bestonden en ontkenden wat er wel bestond. Was ik zo gehersenspoeld dat ik ook na de omwenteling sprookjes en realiteit niet van elkaar kon onderscheiden? Herinneringen zwommen als kleine verdwaalde visjes naar de oppervlakte van mijn bewustzijn. Als communistische jongeren waren we waarschijnlijk de netste ter wereld, omdat we op school wekelijks een inspectie ondergingen. De leraren keken elke maandag naar onze nagels en als ze die te lang vonden, werden ze ter plekke afgeknipt. Een lerares keurde mijn kapsel af, pakte een grote schaar uit haar bureaulade en zette het in mijn haar. Ik vond het vrij normaal dat ik voor de ogen van de hele klas werd gekortwiekt en ik schaamde me daar niet voor. Ik was eerder bezorgd over het resultaat, maar door het ontbreken van een spiegel kon ik dat niet zien. Het enige wat ik tijdens een paar eindeloze minuten hoorde, was een tsjik-tsjik geluid. De botte schaar haperde enkele keren in mijn dikke haar, maar uiteindelijk vielen alle ongewenste haarlokken op de vloer. In de pauze waren de andere kinderen in de klas opmerkelijk stil. Niemand durfde iets over mijn nieuwe kapsel te zeggen. Pas na een tijdje kwam de grootste pestkop naar me toe. ‘Mer, je ziet er heel origineel uit,’ zei hij. ‘Als een spitskool overreden door een Trabant.’ ‘Ga dat maar aan kameraad Dimitrova vertellen,’ bitste ik terug. ‘Dan krijg jij misschien een origineler uiterlijk. Als jij het niet durft, dan kan ik het voor je regelen.’De pestkop droop net zo snel af als hij voor mijn neus verschenen was. Eenmaal thuis kreeg mijn moeder bijna een hartaanval: ‘Wat is er met je haar gebeurd? ‘Kameraad Dimitrova vond het te lang,’ antwoordde ik. ‘Is kameraad Dimitrova blind geworden?

 

Je haar was niet langer dan schouderhoogte!’ ‘Ze vond mijn kapsel niet netjes genoeg.’ Mijn moeder was woedend. Ze dacht altijd dat ze zo goed kon knippen en nu was haar creatie publiekelijk afgekeurd. Toch ging ze geen verhaal halen, omdat je dat gewoon niet deed. Leraren, ambtenaren en partijsecretarissen sprak je nooit tegen. Het volk deed gewoon wat de partijleiders bevolen en hield zich aan duizenden ongeschreven regels. Geen wonder dat het communisme in mijn tijd zo vanzelfsprekend was geworden: de oude generatie was volledig gehersenspoeld en de nieuwe erfde een strak omlijnd denkpatroon. Als meiden hadden we eigenlijk weinig te klagen. Voor de jongens was het een stuk zwaarder, want ze moesten elke week laten zien of er geen haar op hun nek groeide. Als hun nek behaard was, moesten ze per direct naar de kapper, soms om slechts één centimeter ongewenste haargroei af te knippen. De partijleiders hadden blijkbaar een grote hekel aan haar. Kwam dat misschien doordat onze joviale dictator al een tijdje sterk kalend was? We dachten van wel, maar niemand durfde dat hardop te zeggen. De belangrijkste regel op school was dat je je zijden communistische halsdoekje niet mocht vergeten. Daar tilden alle leraren heel zwaar aan: zonder rood halsdoekje was je niet welkom. Het maakte niet uit hoe ver je woonde, je moest naar huis om het te halen. En als je ouders aan het werk waren, moest je ze daar bellen om zo snel mogelijk te komen. We maakten ons niet druk om al die regeltjes. Alles was dagelijkse routine en slechts af en toe ging het mis. Mijn oma had een heel mooi wit kraagje gebreid als vervanger voor het katoenen kraagje van mijn uniform. Ik moest onmiddellijk het schoolgebouw verlaten, want dergelijke afwijkingen werden niet getolereerd in een land waar alle burgers gelijk hoorden te zijn.

 

Enkele leraren met dictatoriale trekjes hadden de gewoonte om ongehoorzame leerlingen aan hun oor te trekken en zo door het hele lokaal naar buiten te sleuren. Eentje gooide altijd potloden door het raam als hij boos werd, een andere gaf ons oorvijgen met een liniaal en bekogelde ons met krijtjes. Van dezelfde leraren kregen we lessen ethiek om later voorbeeldige burgers te worden. We moesten in koor zeggen wat we gingen doen als we een oude vrouw met een volle boodschappentas zagen. ‘De vrouw vragen of we de volle tas naar haar huis mogen dragen,’ herhaalden we braaf. En als een moeder met kind in een volle bus stapt? ‘Opstaan en vragen of ze wil zitten,’ luidde het antwoord. Persoonlijk had ik de grootste hekel aan kameraad Popova, een lerares die een flinke gouden ring droeg. Als ik niet luisterde, tikte ze ermee op mijn hoofd. Soms vond kameraad Popova bijna de helft van de klas niet deugen en werden we massaal naar de hoek gedirigeerd. Aangezien er niet zo veel hoeken waren, vormden we rijtjes langs de muur. We stonden met onze ruggen naar de klas toe, keken elkaar aan en probeerden niet te lachen, want dat maakte de situatie nog erger. We wilden liever geen opmerkingen over slecht gedrag in ons rapportboekje. Om wraak te nemen op dat soort tirannen, maakten we hun stoelen ‘onklaar’ door de bouten los te draaien en de zitting ietsje te verschuiven. We hadden de grootste lol als zo’n zelfingenomen kameraad op de grond plofte. ‘Wie heeft het gedaan?’ was natuurlijk de onvermijdelijke vraag. We verraadden elkaar nooit. De lessen ethiek hadden blijkbaar enig nut.

 

De meesten van ons waren heel gelukkig in het kunstmatig gecreëerde vacuüm van het Bulgaarse communisme. We vonden het vanzelfsprekend dat dit de meest rechtvaardige, solidaire en fantastische maatschappij was. Vrijwel alles was goed geregeld en er kwamen geen serieuze bedreigingen van buitenaf. Amerika had weliswaar kernwapens, maar wij waren ervan overtuigd dat we de vijand konden verslaan. We hadden immers de machtigste bondgenoot ter wereld: moedertje Rusland. Door de communistische propaganda wisten we dat onze idealen sterker waren dan het leeghoofdige materialisme van het Westen. Daarom vierden we ook elk jaar uitbundig de dag dat de communisten aan de macht waren gekomen met massamanifestaties en parades. We liepen met duizenden in colonnes door de straten, zwaaiden met ballons en riepen patriottische leuzen. De feestelijke muziek zweepte ons op. Slechts één keer klonken er trieste klanken en iedereen draaide zich verbaasd om. We zagen enkele mannen een zwarte doodskist dragen, waarop het woord ‘kapitalisme’ was geverfd. Vandaar die trieste muziek, het Westerse kapitalisme werd symbolisch begraven om plaats te maken voor een stralende communistische toekomst voor alle landen ter wereld. Tijdens de parade waren er een aantal vakbondsmensen uit westerse landen op de officiële tribune aanwezig. Tot mijn grote verbazing lieten ze het na om naar ons te zwaaien. Dat ze zich geen raad wisten met onze gedragscodes bleek geen enkel probleem: de volgende dag stonden ze toch zwaaiend op de voorpagina van de krant. Een vriend van mijn vader, die bij de krant werkte, vertelde hem dat ze van hogerhand de opdracht hadden gekregen om de stomme buitenlanders met wat knip- en plakwerk van zwaaiende handen te voorzien.

 

Volgens mijn ouders zorgden de partijleiders zelfs voor mooi weer tijdens zo’n feestdag. Als de weersvoorspelling slecht was, vuurden ze in de grote steden speciale raketten de wolken in, waardoor de regen een paar dagen eerder viel. We marcheerden dus meestal in de felle zon, in trance van gehoorzaamheid, gedirigeerd door een onzichtbare kracht. We deden altijd wat de ideologen van de partij bepaalden dat goed voor ons was, zonder zelfstandig na te denken. We waren ons denkvermogen niet kwijt, maar we hadden het omwille van onze stralende toekomst voor een groot gedeelte uitgeschakeld. De communistische partij had een superstaat gecreëerd die van de wieg tot aan het graf voor ons zorgde. Gratis school, gratis gezondheidszorg, gegarandeerd werk, haast geen diefstallen of inbraken… Op de drie zenders die we in Bulgarije ontvingen, kregen we bijna dagelijks te horen hoe veel beter het leven in het Oostblok was vergeleken met het Westen. Overal op straat stonden borden met propagandateksten en het portret van onze partijleider Todor Zjivkov hing in elke school en in alle openbare gebouwen. De straten droegen de namen van helden als Marx en Lenin en we waren trots op de verdiensten van het communistische systeem. Wie in zo’n maatschappij niet kon gedijen, had het aan zichzelf te danken. Zoals een oude man die meestal op de trap van de kerk zat te bedelen, waarschijnlijk omdat hij liever dronken was dan nuchter. Ik gaf hem vaak wat van mijn zakgeld, maar ik maakte nooit een praatje met hem, want bedelaars waren per definitie eng in een land zonder werklozen. Voor iedereen werd een baantje geschapen. De communistische partij was meester in het creëren van overbodige baantjes. Niet dat iemand zich overbodig voelde, maar in Bulgarije gold net als in de andere communistische broederlanden het principe dat van elke drie arbeiders er eentje werkte, de tweede toezicht hield en de derde voor problemen zorgde. Het was eerder regel dan uitzondering dat mensen allerlei privé-zaken onder werktijd regelden.

 

Als je schaarse producten wilde bemachtigen, kon je niet anders dan weglopen van je werk, anders was alles uitverkocht. ‘Arbeid adelt de mens’ was één van de bekendste leuzen. Dat moesten ook de scholieren ervaren en daarom werden we regelmatig naar de boeren gestuurd om ze met het binnenhalen van de oogst te helpen. We kregen allemaal een persoonlijke oproep. Op de voorkant prijkten de woorden ‘vrijwillig werk voor het vaderland’. Binnenin kon je lezen: ‘Aanwezigheid verplicht op straffe van sancties’. We wisten niet precies wat de sancties inhielden, maar niemand haalde het in zijn hoofd om niet op te komen dagen voor het vrijwillig verplichte werk. Elk jaar was het iets anders: druiven plukken, aardappels rooien, pinda’s verzamelen… Ik had vooral een hekel aan de pinda’s. Mijn handen werden pikzwart en ruw van het wroeten in de aarde, ik kreeg rugpijn van het bukken en als het regende, veranderden de velden in een modderpoel. Het ergste van alles waren de hoge normen, die praktisch onhaalbaar waren voor iemand die dit werk voor het eerst deed. Als je de norm niet haalde, kreeg je publiekelijk een reprimande van de kameraad die toezicht hield. Om dat te voorkomen deed ik steeds een laagje aarde onder in de emmers; dat woog zwaarder dan de pinda’s en de kilo’s vlogen eraan. Onze school had het enigszins getroffen met het oogsten van pinda’s, want helpen in de fabrieken was nog erger. Als dat je lot was, werd je op onchristelijke tijden wakker gemaakt. Om half zes in de ochtend marcheerde je al zingend naar de fabriek en om zes uur was iedereen aan het werk. De productienormen voor de scholieren waren gelijk aan de normen van de gewone arbeiders. Sommige vriendinnen werden er helemaal gek van om de hele dag achter een lopende band te staan. Ze moesten constant geconcentreerd blijven om er geen slechte exemplaren tussendoor te laten glippen. Anders werden ze berispt, vaak met behoorlijk wat publiek om de rest te waarschuwen wat er gebeurde als ze hun ogen niet goed open hielden. De oogsttijd was een onuitputtelijke bron van verhalen over normen: zo voorzagen we de onderkant van de kratten met kersen van bladeren, smeerden we tandpasta op de deurkrukken van de kameraden en verzonnen we een moderne versie van een telegram: een papiertje in brand steken tussen de tenen van de grootste slaapkop en afwachten wanneer hij de boodschap ontving.

 

De schade van dit wrede spelletje viel trouwens mee: in het ergste geval verschenen er wat blaren en kon de slaapkop zijn norm niet halen. ‘We logeerden in de huizen van de boeren en enkele van mijn klasgenoten waren ingedeeld bij de man die de dorpswinkel runde,’ vertelde mijn vriendin Olga. ‘De jongens kwamen in zijn magazijn, dronken al zijn alcohol op en bekogelden elkaar met de eieren die ze daar vonden. Vervolgens trokken ze naar het dorpsplein en mikten met de resterende eieren op een communistisch monument.’ We schaterden van het lachen. Een volwassene zou voor een dergelijk vergrijp jarenlang achter de tralies belanden, maar dronken scholieren konden ze moeilijk opsluiten. Ze werden slechts van school gestuurd. En kaalgeschoren. Zo kon iedereen zien dat het gevaarlijke criminelen waren.

 

Toen Olga een volgende keer terugkwam van een werkkamp, was ze haar prachtige lange haar kwijt. ‘We hielpen de boswachters met het markeren van de bomen voor de kap,’ vertelde ze. ‘De hele dag berg op, berg af met een pot verf in je handen. Als de vermoeidheid toesloeg, was het onmogelijk om niet te struikelen.’ ‘Heb je verf op je haar gekregen?’ vroeg ik, terwijl ik het antwoord al kon raden. ‘Een volle pot. Ik kon het er vervolgens op geen enkele manier afkrijgen. Ik moest mijn haar laten afknippen.’ ‘Wat een rotklus! Hoe kan een scholier weten welke bomen te markeren?’ ‘Simpel: een boswachter liep de hele tijd mee,’ verduidelijkte mijn vriendin. ‘Kon hij dan de bomen zelf niet markeren?’ Olga lachte om zo veel naïviteit. ‘Natuurlijk wel, Mer, maar je weet toch hoe het werkt? Ze willen ons aan het werk houden, ook al is er niets te doen.’ Daar zat wel wat in, want we werden al van kinds af aan geacht te helpen met het opbouwen van het communisme. We waren de radertjes in een imposant raderwerk en dat vulde ons met trots en enthousiasme, ook al zat het soms niet mee. De ouders van Olga waren arbeiders, de klasse die de hemel in werd geprezen. Op televisie hoorden we niets anders dan hoe goed onze arbeiders het deden. De beste werknemers kregen medailles met het opschrift ‘Held van de Arbeid’ en de afdelingen met de hoogste productie veroverden de felbegeerde wisselbeker. Hun foto’s werden bij de ingang van de fabriek opgehangen. Het Bulgaarse volk bouwde heel bevlogen aan het communistische ideaal en deed alles wat de Russische leiders verwachtten, zoals het een braaf satellietstaatje betaamde. Toen de Russen na de dood van Stalin onthulden dat de Grote Leider in werkelijkheid een moordmachine was, konden we dat haast niet geloven. We probeerden de pijn van deze ontdekking met moppen te verzachten. Anders konden we het niet verwerken dat het opbouwen van het communisme ten koste van veel onschuldige mensen was gegaan.

 

Zo was er een mop over Stalin, die door de geheime politie gebeld wordt met de vraag of hij zijn verloren pijp al gevonden heeft. ‘Ja, hij lag onder de sofa,’ zegt Stalin. ‘Dat is onmogelijk!’ roept de geheime agent uit. ‘Er zijn al drie mensen die de diefstal van uw pijp bekend hebben.’


Meer over het boek ‘Communisme, sex en leugens’ is te vinden op de website www.mariagenova.nl

 based on 2 votes. You need to be logged in to rate an article.

reacties

plaats een bericht

u moet ingelogd zijn om te kunnen reageren

  • Facebook
  • LinkedIn
  • Twitter